Weerkaarten van het KMI (www.meteo.be)

ff

ff

 

 

 


Source: Wetterzentrale



Neerslagradar Belgiƫ

De radar detecteert de neerslag boven Belgiƫ. De intensiteit van deze neerslag wordt weer- gegeven door middel van kleur tinten. Deze gaan van lichtblauw (lichte neerslag) tot donkerrood-paars (wolkbreuk).

 

 

Straalstroom

StraalstroomOp 9 à 10 kilometer hoogte waait in de regel een zeer sterke wind, die de straalstroom wordt genoemd. Weerkundigen spreken van een straalstroom als de wind op die hoogte een snelheid heeft van meer dan 100 kilometer per uur (windkracht 11 of meer). Regelmatig worden echter hogere windsnelheden bereikt van soms zelfs meer dan 350 kilometer per uur. De stroming is van west naar oost. Dat is dezelfde richting als de draaiing van de aarde, zodat de lucht in de straalstroom sneller beweegt dan de aarde. Door de vele kronkels kan de luchtstroming plaatselijk ook naar zuid of noord gericht zijn.

De richting en de plaats van de straalstroom is van groot belang voor het weer. Vanuit noordelijke richting voert een straalstroom in onze omgeving in de regel koudere lucht aan dan vanuit het westen of zuiden. De straalstroom voert bovendien depressies met warmtefronten en koufront aan.   - Wanneer de straalstroom over of vlak langs ons land loopt krijgen we in de regel de ene na de andere depressie te verwerken met herhaaldelijk regen en wind.   - Als de straalstroom ten zuiden van ons land ligt, dan zorgt die voor koude, of polaire, wind. - Ligt de straalstroom daarentegen in het noorden, dan zorgt die voor een hogedrukgebied en warm weer. In beide gevallen is het weer dan stabiel en zonnig. Dat betekent in de winter dus vriesweer of goed warm in de zomer.

De straalstroom is soms te herkennen aan de wolkenlucht. Karakteristiek zijn de zeer langgerekte banden van hoge bewolking, vaak in de vorm van windveren. Deze wolkenvormen wijzen meestal op snelle veranderingen in het weerbeeld. 

 

toelichting bij de bodem condities (parameter Soil Moist 1)

   
verzadigd (0 - 11 cb)
de grond is verzadigd. normale waarde binnen twee dagen na irrigatie.
voldoende (11 - 26 cb)
grond is voldoende nat (met uitzondering van grove zandgrond die aan het uitdrogen is)
irrigatie gewenst (26 - 61 cb)
bij deze waardes dient water gegeven te worden (met uitzondering van zware kleigronden). irrigeer aan de bovenkant van dit bereik in koele vochtige klimaten en bij meer water vasthoudende bodems.
irrigatie noodzakelijk (61 - 101 cb)
gebruikelijke waardes om zware kleigronden te irrigeren.
gevaarlijk droog (101 - 240 cb)
de bodem wordt gevaarlijk droog voor een maximale productie.

 

Weerkundig woordenboek. 

 

Kies hier een letter
A         B         C         D         E         F         G         H         I         J         K         L         M        
N         O         P         Q         R         S         T         U         V         W         X         Y          

 Drukgebieden en isobaren

Drukgebieden en isobaren

Het drukgebied wordt op een meteorologische kaart afgebeeld in de vorm van een samenhang van isobaren (lijnen van gelijke druk). Zij worden getrokken door interpollatie van de waarnemingen van verschillende weerstations.

- De anticycloon of  hogedrukgebied

Dit is een gebied H met gesloten cirkelvormige isobaren waarbij de luchtdruk toeneemt naar het centrum toe

- De wig of de rug

Tongvormige uitloper van een hogedrukgebied. De lijn noemt men de wigas.

- De depressie of lagedrukgebied.

Dit is een gebied L met gesloten cirkelvormige isobaren waarbij de luchtdruk afneemt naar het centrum toe

- De vore of trog

Tongvormige uitloper van een lagedrukgebied. De lijn noemt men de wigas.

- Het zadelgebied

Overgangsgebied tussen twee hogedrukgebieden en lagedrukgebieden in.

 

 

    

 Windtabel

WindkrachtBenamingm/sknopenkm/uKenmerken
0 Windstil <0.2 < 1 < 1 Rook stijgt (recht) omhoog
1 Zwakke wind 0.3-1.5 1-3 1-5 Rookpluimen geven richting aan
2 Zwakke wind 1.6-3.3 4-6 6-11 Bladeren ritselen
3 Matige wind 3.4-5.4 7-10 12-19 Bladeren, twijgen voortdurend in beweging
4 Matige wind 5.5-7.9 11-16 20-28 Stof en papier dwarrelen op
5 Vrij krachtige wind 8.0-0.7 17-21 29-38 Takken maken zwaaiende bewegingen
6 Krachtige wind 10.8-13.8 22-27 39-49 Grote takken bewegen
7 Harde wind 13.9-17.1 28-33 50-61 Bomen bewegen
8 Stormachtige wind 17.2-20.7 34-40 62-74 Twijgen breken af
9 Storm 20.8-24.4 41-47 75-88 Takken breken af, dakpannen waaien weg
10 Zware storm 24.5-28.4 48-55 89-102 Bomen worden ontworteld
11 Zeer zware storm 28.5-32.6 56-63 103-117 Uitgebreide schade bossen en gebouwen
12 Orkaan >32.6 >63 >117 Niets blijft meer overeind

 

 

   

 

Wolkenformaties

Inleiding

Men kan stellen dat verschillende wolkengeslachten karakteristiek zijn voor het heersende en het toekomstige weer, In hetgeen nu volgt ga ik trachten een opsomming te geven van de verschillende geslachten met daarbij enige verklaring. Wegens de grote verscheidenheid van wolkenformaties, beperk ik mij tot de tien belangrijkste geslachten.

De wolkenclassificatie

Hoge bewolking

cirrus afkorting: ci (nederlands : vedertoefje)

Op een hoogte tussen 8000m en 12000m , bestaan uit ijskristallen, geven geen neerslag, deze bewolking duidt op een weersverslechtering vanuit het ZW, op een weersverbetering van het O

cirrocumulus afkorting: cc (nederlands : opgestapelde veders)

Op een hoogte tussen 6000m en 10000m, ontstaan bij de nadering van een warmtefront, geven geen neerslag, voorspellen de komst van regen of sneeuw, in de zomer vaak met onweer

cirrostratus afkorting : cs (nederlands : vederdeken)

Op een hoogte tussen 6000m en 8000m, beginfase van een warmtefront, geven geen neerslag, regen binnen de 24 uur

Middelbare bewolking

altocumulus afkorting : ac (nederlands : hoge opgetilde stapel )

Op een hoogte tussen 3000m en 6000m, voorbode slecht weer, geven geen neerslag

altostratus afkorting : as (nederlands : hoog, opgetild deken)

Op een hoogte tussen 3000m en 5000m, voorste begrenzing van regen of sneeuw, geven geen neerslag

nimbostratus afkorting : ns (nederlands : laag deken met regen)

Op een hoogte tussen 2000m en 5000m, de eigenlijke regen of sneeuwwolk, kan gedurende langere tijd regen of sneeuw geven

Lage bewolking

stratus afkorting : st (nederlands : deken )

Op een hoogte tussen 500m en 2000m, optrekkende mist, kan motregen of motsneeuw geven, voorste begrenzing van intensere regen of sneeuw, mist

cumulus afkorting : cu (nederlands : hoge stapel)

Op een hoogte tussen 500m en 6000m, hoge toppen, geven geen neerslag, groeien meestal uit tot cumulonimbus

stratocumulus afkorting : sc (nederlands : laag met opbollingen)

Op een hoogte tussen 500m en 2000m, geven geen neerslag, duiden op wisselvallig weer

cumulonimbus afkorting : cb (nederlands : stapelwolk met regen)

Op een hoogte tussen 3000m en 15000m, buienwolk met dikwijls onweer bij het overtrekken van een koufront

 

Nevel en mist

MistNevel en mist worden veroorzaakt door in de lucht zwevende zeer kleine waterdruppeltjes in min of meer grote hoeveelheid. Wanneer het zicht minder dan 50m spreekt men van zeer dichte mist, minder dan 200m van dichte mist. Bij 1 km  spreekt men van mist en van nevel voor zicht tussen 1 & 2 km. We onderkennen 4 soorten mist:

  1. Verdampingsmist.   Dit type van mist wordt gevormd door toevoeging van waterdamp aan de atmosfeer. Een voorbeeld is zeemist die ontstaat wanneer koude lucht over relatief warm zeewater stroomt of wanneer warme lucht in aanraking komt met een koude zee. Slootmist ontstaat op gelijkaardige wijze.   Deze mist kan ontstaan door afkoeling rond zonsondergang of vaak pas tegen zonsopkomst.
  2. Mengingsmist.   Dit is een soort van mist die ontstaat uit de menging van twee boven elkaar liggende luchtsoorten. Deze horizontale menging zal geen dichte mist veroorzaken omdat de hoeveelheid gecondenseerd water onvoldoende is.
  3. nevelAdvectieve mist.   Advectieve mist ontstaat bij aanvoer van relatief warme lucht boven een kouder oppervlak. De warme lucht wordt afgekoeld door het oppervlak. Als de warme lucht veel vocht bevat, wordt de lucht verzadigd en condenseert dan tot mist. In de winter komt deze mistsoort vaak voor, wanneer er door een westenwind vochtige warme lucht van zee wordt aangevoerd die over het koude land trekt.
  4. Stralingsmist.   Stralingsmist is mist die zich vormt boven het aardoppervlak door uitstraling bij helder weer, waarbij na zonsondergang het aardoppervlak afkoelt. De mist vormt zich dan als er ook nog weinig tot geen wind is om de koude luchtlaag boven de grond te mengen met hogere, warmere lagen en de lucht zoveel waterdamp bevat dat het dauwpunt wordt overschreden.

In de praktijk is mistvorming dikwijls een combinatie van vorige beschrijvingen. Het is ook lastig te voorspellen hoe snel mist opgelost zal worden. Ook smog is een potentieel gevolg van mist: doordat de mist heel laag hangt, kunnen schadelijke gassen van auto's, fabrieken en dergelijke niet stijgen en blijven dus laag hangen.